Nederland worstelt in de praktijk nog met toepassing en handhaving van de AVG

Nederland worstelt in de praktijk nog met toepassing en handhaving van de AVG
niek

Uit onlangs verschenen onderzoek van de Tweede Kamer inzake “2 jaar toepassing AVG”, blijkt dat de ambitie om van de AVG een internationale standaard te maken nog niet is gehaald. Sterker nog, ook in Nederland is de AVG nog niet het referentiekader dat het zou moeten zijn. De reden hiervoor is opmerkelijk: de keuzevrijheid die de AVG biedt, voor zowel overheidssector als bedrijfsleven, zorgt ook voor interpretatieverschillen die vooralsnog door jurisprudentie niet zijn opgelost.

Een illustratie hiervan is de ontwikkeling van de CoronaMelder-app. In de gehele ontwikkeling ontbrak het aan een duidelijke gedragen visie binnen de groep van experts over hoe de eisen uit de AVG in het ontwerp moesten worden meegenomen. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn & Sport, landsadvocaat, AP, Raad van State en European Data Protection Board (EPDB) verschilden zodanig van mening dat het leek alsof privacy belangrijker was dan volksgezondheid. Een andere vraag die hierbij kan worden gesteld: waarom wordt Europese wetgeving niet Europees opgepakt? De verspreiding van COVID-19 vroeg juist om een dergelijke samenwerking.

De Rapporteur van het onderzoek verwacht wegens geconstateerde problemen een grotere rol voor de EDPB. De EDPB moet door het uitvaardigen van richtlijnen, aanbevelingen en best practices nog meer dan nu een bijdrage leveren aan de interpretatie van de AVG.

Het feit dat de dagelijkse samenwerking en toezicht op grote internationaal opererende bedrijven niet georganiseerd is op EU-niveau verstoort ook de politieke verhoudingen en verlamt de pogingen tot handhaving. Procedures voor handhaving zijn traag en complex, er is onenigheid tussen nationale toezichthouders over de hoogte van opgelegde boetes en zaken tegen grote techbedrijven blijven lang op de plank liggen.

Ook in Nederland verloopt het handhavingsproces verre van optimaal. Uit de Voetbal-TV casus van eind 2020, blijkt dat de AP in zijn handhaving zich bedient van interpretaties die restrictiever zijn dan de rechter uiteindelijk beoordeeld. Dit gaat ook op ten aanzien van medisch-wetenschappelijk onderzoek, zoals de inzet van persoonsgegevens om innovatie in de zorg te bewerkstelligen. Het verklaart mogelijk wel waarom er nog zoveel interpretatieverschillen zijn. De vraag is of de AP wel over voldoende capaciteit beschikt om adequate invulling te geven aan al haar verschillende taken. De onafhankelijke toezichthouder treedt op dit moment immers op als voorlichter, kennisinstituut, scheidsrechter, handhaver en boeteoplegger tegelijkertijd. Het lijkt daarom volgens de rapporteur noodzakelijk een discussie te voeren over ongewenste rolvermenging bij de AP. Misschien is het inderdaad beter dat de komende jaren, de AP meer als voorlichter de interpretaties voor zijn rekening neemt. Meer duidelijkheid zal uiteindelijk ook tot minder overtredingen leiden en schept een beter kader voor de toepassing van de AVG in de praktijk.